De Meester in de moderne tijd: confucianisme in het huidige China
- Alex Van Egmond

- 12 aug 2025
- 9 minuten om te lezen

Vanwege de sfeer die er veelal hangt, bezocht ik door de jaren heen vele tempels en plaatsen van bezinning in China en Taiwan. Het zette mij regelmatig aan het denken over de rol van religie in Oost-Azië en de verschillen met het Westen.
China’s belangrijkste wijsgeer ooit, oefent met zijn aforismen nog altijd invloed uit in Oost-Azië en overzeese Chinese gemeenschappen. In dit artikel schrijf ik over Confucius en de controversiële ideeën van denker Jiang Qing.
Tekst: Alex van Egmond
In april 2011 werd een bronzen sculptuur van Confucius stilletjes verwijderd van het Plein van de Hemelse Vrede in Peking. Het gevaarte dat 17 ton woog en voor het gerenoveerde Nationaal Museum stond, was nog geen vier maanden daarvoor daar neergezet.
Bij de plaatsing ontstond onmiddellijk ophef: toegewijden zagen het beeld als een terugkeer van de Meester en zijn idealen, nadat hij tijdens de Culturele Revolutie in de ban was gedaan.
Aanhangers van de communistische idealen daarentegen waren zwaar beledigd vanwege de locatie, vlakbij het mausoleum en een portret van Mao Zedong.
Het gaf geen pas dat zo’n symbool van feodaliteit, waartegen Mao decennia lang had gestreden, daar op het plein stond.
Het beeld werd in het holst van de nacht verplaatst naar een binnenplaats van het museum. Dat ging vergezeld van de officiële verklaring dat de plaatsing op het plein ‘tijdelijk’ was.
Deze gebeurtenis laat zien hoe omstreden Confucius nog steeds is in het hedendaagse China, maar toont ook het dilemma waarmee de communistische partij worstelt, want dertig jaar na de dood van Mao kent het confucianisme duidelijk een opleving.
Kritiek en lof
Aan de ene kant promoot de communistische partij Confucius als een cultureel product in haar softpower-beleid, denk aan de benaming van de Confucius Instituten die wereldwijd zijn opgericht.

In China zelf worden de confucianistische concepten van gehoorzaamheid aan de ouders en de autoriteiten gepropageerd, met name in het onderwijs. Het confucianisme en zijn nadruk op een natuurlijke hiërarchie zijn immers in lijn met het paternalistische model van de CCP dat loyaliteit aan de partij en sociale harmonie benadrukt.
Aan de andere kant staat het confucianisme lijnrecht tegenover de marxistisch leninistische leer, die gebaseerd is op materialisme als basis voor economische ontwikkeling en waarheid zoeken op wetenschappelijke wijze, of zoals Deng Xiaoping het verwoordde: ‘Zoek waarheid door feiten.’
Daarentegen is het confucianisme niet gegrond in materialisme of wetenschap, maar komt het voort uit idealisme en humanistische ontwikkeling, waarbij de focus ligt op het cultiveren van moraliteit om harmonie te bereiken tussen mensen onderling en tussen mens en natuur.
Bovenal ligt het nu eenmaal in de aard van de partij om elke sociale beweging of ideologie te controleren die een mogelijke bedreiging kan vormen voor haar bestaan.
Vandaar dat het confucianisme naast bijval ook veel tegenwind krijgt, maar in vroegere tijden was dat niet anders.
In de periode van de Strijdende Staten (475-221 voor Christus) ontstonden felle debatten tussen legalisten, taoïsten en confucianisten over wat nu het beste staatsbestuur was.
Net als de confucianisten, volgden de legalisten strikte principes, maar waar de confucianisten nadruk legden op de eigen verantwoordelijkheid, daar dwongen de legalisten navolging van de regels af met handhaving en strenge straffen.
De taoïsten daarentegen zagen niets in leidende principes, want hun wet was de ‘weg’, een onduidbare, scheppende kracht in het universum. Om in harmonie te geraken met de ‘weg’ werden volgers geacht een simpel leven te leiden en zich afzijdig te houden van wereldse zaken.
Dit debat sleepte zich eeuwenlang voort, maar aan het einde van de Han-dynastie (202 voor Christus - 220 na Christus) werd het confucianisme verheven tot staatsideologie.
Een Keizerlijke Academie werd opgericht en de keizer kreeg het laatste woord over de leer, maar was wel gebonden aan de morele verplichting om het welzijn van het volk te bewaren. Tot aan de val van de Qing-dynastie in 1912 bleef het confucianisme de officiële leer.
Bedreiging
In de lange periode waarin het confucianisme de staatsideologie was, leidde de interpretatie ervan regelmatig tot discussies en zorgden diverse Chinese denkers, zoals Han Yu (768-824), Zhu Xi (1130-1200) en Wang Yangming (1472-1529), voor uitbreiding van de leer.

Hun bijdragen worden geschaard onder de term neo-confucianisme. Ik zal hier verder niet dieper op ingaan, maar vermeldenswaardig is dat neo-confucianisme in de achtste eeuw een reactie was op de overweldigende invloed van boeddhisme.
Eveneens vormde de opkomst van westerse machten vanaf de zestiende eeuw een serieuze bedreiging van de confucianistische traditie.
In de late Qing-dynastie en de beginjaren van de Republiek China propageerde de politieke denker Kang Youwei (1858-1927) een staatsrechtelijke monarchie, gebaseerd op de idealen van Confucius.
Tot tweemaal toe bracht Kang dit voorstel in bij de Nationale Volksvertegenwoordiging van de prille Republiek China, maar hij verkreeg nooit de benodigde meerderheid.
Het Chinese volk had de buik vol van alleenheersers en niet veel later tijdens de 4 Mei-beweging keerde het tij zich zelfs volledig tegen Confucius. De aanhangers van de beweging betwijfelden of de confucianistische traditie nog kon worden voortgezet in de moderne tijd.
Dit was de opmaat voor de grote anti-Confucius-campagnes later in de twintigste eeuw, waaronder bijvoorbeeld Bekritiseer Confucius (1973-1976), die tijdens de Culturele Revolutie werd gelanceerd door Mao Zedong en zijn handlangers.
Voor Mao was Confucius de belichaming van feodaal denken en hij zag confucianistische waarden als een directe bedreiging voor de marxistisch-leninistische leer. Zijn pogingen om door felle klassenstrijd het traditionele systeem volledig af te breken, bleken echter zonder succes.
In de laatste decennia is het confucianisme wedergekeerd in volle sterkte en vindt deze leer niet alleen weerklank in academische kringen, maar ook onder brede lagen van de bevolking.
Met name de stedelijke middenklasse zoekt haar heil bij Confucius. De snelle economische groei en daarmee gepaard gaande enorme urbanisatie hebben bij velen tot morele leegte en vervreemding geleid.
De keerzijde van het materialisme en de, mede door corruptie veroorzaakte, grote verschillen in welvaart, hebben de twijfels over de Chinese identiteit versterkt, waardoor veel Chinezen hun heil zoeken in spiritualiteit.
De CCP met haar holle retoriek en atheïstische inslag vult deze spirituele leegte niet, maar het confucianisme kan dat wel.
Alternatieven
In academische kringen is er daarnaast ook interesse voor zogenaamd ‘politiek confucianisme.’ Waar in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw vooral werd gedebatteerd over de culturele aspecten van het confucianisme, wordt inmiddels vooral nagedacht over politieke toepassing.
De radicaalste groep intellectuelen zijn de ‘Nieuwe confucianisten’, waarvan Jiang Qing de prominentste pleitbezorger is.
Jiang legt zijn ideeën het meest gedetailleerd uit in Een confucianistische staatsrechtelijke orde. Hij stelt dat de Chinese staat zich al honderd jaar in een crisis bevindt, doordat legitimiteit ontbreekt.

Met legitimiteit bedoelt hij dat een heerser een fundament moet hebben waarop hij het recht om te regeren kan baseren. Marxistisch-leninistische én westerse liberale waarden verwerpt hij als oplossing voor dit dilemma, want beide hebben geen culturele of historische plaats in de Chinese geschiedenis.
In plaats daarvan biedt Jiang het theoretisch model aan van De weg van humanistisch gezag (Wangdao) en baseert hij zich op de koningen uit de Xia-, Shang- en Zhou-dynastieën.
De keuze voor deze historische figuren is merkwaardig, want zij zijn omgeven door een mythisch aura, maar volgens Jiang ligt daar juist de aantrekkingskracht: ze zijn geïdealiseerd, maar hebben toch een historisch fundament.
In een democratie daarentegen is legitimiteit gebaseerd op de rede en heeft daarom geen historische achtergrond, stelt hij. Mijns inziens slaat Jiang hier de plank mis, want de rede kent in het Westen wel degelijk een historische ontwikkeling.
Hoe het ook zij, net als Kang Youwei ziet Jiang het confucianisme als het enige redmiddel voor China. In tegenstelling tot westerse democratieën, waar legitimiteit wordt bepaald door volksstemming, gaat Jiang uit van drie bronnen van humanistisch gezag: een hogerhuis voor het volk, een hogerhuis voor het sacrale (Ru) en een hogerhuis voor de natie.
Van belang is dat alle hogerhuizen het met elkaar eens moeten zijn om een wetsvoorstel aan te nemen. Het hogerhuis voor het sacrale beschikt daarbij over een vetorecht.
De leden in het eerste hogerhuis worden gekozen door volksstemming, vergelijkbaar met een democratie. De vertegenwoordiger van het hogerhuis voor het sacrale wordt gekozen door confucianistische geleerden, die net als in het verleden getoetst worden op hun kennis van de leer.
Het derde huis ten slotte wordt vertegenwoordigd door een symbolische vorst, die volgens Jiang een directe afstammeling van Confucius moet zijn. Dit laatste lijkt een terugkeer te zijn naar het keizerlijke systeem, maar Jiang brengt scheiding aan tussen de staat en het parlement.
In plaats van de vorst regeren de drie hogerhuizen. De symbolische vorst bemiddelt in conflicten, tekent wetsvoorstellen, internationale verdragen, enzovoorts. Hij kan zich ook uitspreken over morele kwesties, zoals de aantasting van het milieu, maar heeft verder geen politieke macht.
Binnen academische kringen krijgt Jiang zowel bijval, alsook veel kritiek op zijn confucianistische staatsmodel. Vooralsnog is er geen ruimte voor openlijk debat onder het huidige regime van de CCP onder leiding van Xi Jinping.
Het lijkt er eerder op dat de Communistische partij zich laat inspireren door historisch legalisme en de theorieën van de Duitse politiek-filosoof Carl Schmitt. Begin twintigste eeuw bekritiseerde Schmitt het vertrouwen in recht en liberalisme.
Schmitt benadrukte het menselijke aspect in recht en meende dat een soeverein beter in staat zou zijn om beslissingen te nemen die los stonden van het recht. Wat neerkomt op autoritair gezag en rule by law.

Het getuigt zodoende van moed dat Jiang toch pleitbezorger blijft van alternatieve politieke theorievorming, ook al doet hij dat (noodgedwongen) teruggetrokken vanuit zijn Yangming Academie in Guiyang.
Maar zoals de Meester zei:
“Wees niet bezorgd dat je geen positie hebt. Maak je eerder zorgen of je er wel een verdient. Wees niet verdrietig dat anderen je miskennen. Zoek liever naar wat je kunt doen om hun erkenning te verdienen”.
※※※
De meester
Confucius (of in het Chinees 孔子, Kongzi) leefde van 551 tot 479 voor Christus, en bereikte de respectabele leeftijd van tweeënzeventig jaar. Hij werd geboren in het huidige Qufu in de provincie Shandong, omstreeks de roerige Lente- en Herfst periode van China’s geschiedenis.
Het gezag van de Zhou-koning was ernstig verzwakt, waardoor zijn leenmannen hun eigen weg gingen en er een voortdurende rivaliteit ontstond tussen de diverse staten en adellijke families onderling.

Confucius groeide op in de kleinere staat Lu en zag met eigen ogen hoe de plaatselijke adel in een strijd verwikkeld was om de macht. Deze adellijke families konden de politieke macht grijpen, omdat de hertog zich meer bezighield met het vergaren van rijkdom dan met het besturen van de staat.
Deze achtergrond vormde Confucius’ denken over de verantwoordelijkheden van de mens in de maatschappij en het belang van goed bestuur. Nadat hij faalde de macht van de hertog in de staat Lu te herstellen, ontvluchtte Confucius in 497 voor Christus zijn geboortegrond.
Hij trok daarna van staat tot staat en bracht als privéleraar zijn ideeën over, maar kon deze nooit in de praktijk brengen. Na zijn dood werden zijn uitspraken verzameld door volgelingen in De gesprekken (Lunyu), een boek dat beschouwd kan worden als de kern van het confucianisme.
Centraal staat de uitdaging van elk mens om zich te vervolmaken. De gesprekken bevat een verzameling aforismen, maar ook veel dialogen van Confucius met zijn studenten, die ons soms ook een inkijkje in zijn dagelijkse leven geven.
In hoofdstuk tien lezen wij:
‘De stal stond in brand. Toen de Meester terugkeerde van het hof, vroeg hij: “Heeft iemand letsel opgelopen?” Hij vroeg niet naar de paarden’ (Paarden waren in die tijd meer waard dan een mensenleven).
Confucius’ nagelaten uitspraken zijn vaak voor meerdere interpretaties vatbaar en geven geen algemene theorie voor correct handelen.
Jiang Qing's achtergrond
Jiang Qing (1953) begon zijn intellectuele carrière als een fervent marxist, maar raakte gedesillusioneerd over de manier waarop de marxistische ideologie door de partij werd gepropageerd.
Toen in 1978 het politieke klimaat veranderde, ging hij Politiek en Rechten studeren in Chong qing. Tijdens zijn studie las hij veel van de vroege werken van Karl Marx. Hij kwam tot de conclusie dat niet klassenstrijd, maar humanisme ten grondslag lag aan de theorieën van de Duitser en dat deze in lijn waren met individuele vrijheid, gelijkheid en democratie.

Jiang uitte zijn kritiek in het essay Terug naar marxisme, maar dit namen de autoriteiten hem niet in dank af en hij kreeg na zijn afstuderen een marginale positie toegewezen in het verafgelegen Guizhou, terwijl klasgenoten belangrijke posities kregen in Peking en Shanghai.
Na een korte flirt met boeddhisme kwam Jiang uit bij het confucianisme, doordat hij bekend raakte met het werk van prominente neo-confucianisten uit Hongkong en Taiwan.
Tot dan toe wist hij niet eens dat de confucianistische traditie zich buiten China ongehinderd had voortgezet. Deze confucianisten van de twintigste eeuw betrokken westerse filosofie in hun betoog en meenden dat een synthese tussen confucianistische en liberaal-democratische waarden mogelijk was.
Jiang vond inspiratie in hun missie, maar bleef sceptisch staan tegenover de liberale democratie als leidende ideologie, want naar zijn mening veronachtzaamt deze de culturele, sociale en historische realiteit van China.
Jiang stelt eveneens voor om de marxistisch-leninistische ideologie los te laten. Daardoor zijn zijn ideeën in China zeer controversieel en mogen deze niet worden gepubliceerd. Toch wordt zijn werk clandestien verspreid en vindt het weer klank onder Chinese intelligentsia.
Sinds 2001 leeft en werkt Jiang teruggetrokken op de door hem opgerichte Yangming Academie in Guiyang (Guizhou) en onderwijst hij net als zijn grote voorbeeld leerlingen in de leer van Confucius.
※※※



Opmerkingen