Een zekere Alopen in Xi'an : vroege christenen in China
- Alex Van Egmond

- 7 jul 2025
- 10 minuten om te lezen

Het christendom heeft een rijke en complexe geschiedenis in China die teruggaat tot de vroege tijden van de religie.
In de vijfde eeuw na Christus vestigden de nestorianen, die afkomstig waren uit Centraal Azië, gemeenschappen langs de zijderoute en via die weg verspreidden ze het geloof.
Hun invloed bleef beperkt, zeker in vergelijking met andere levensovertuigingen die zich wortelden in China, zoals het boeddhisme.
Desalniettemin is de nestoriaanse geschiedenis het beschrijven waard en in dit artikel zal ik ingaan op wat het nestorianisme behelst en welke bewijzen er zijn voor de aanwezigheid van nestorianen in China.
Tekst: Alex van Egmond
Nestorianisme was een vroege oosterse tak van het christendom die ontstond in de vijfde eeuw na Christus. De nagelaten geschriften van Nestorius, een Syrische monnik die tussen 428 en 431 patriarch was van Constantinopel, vormden de basis voor deze tak.
Nestorius benadrukte de scheiding tussen de goddelijke en menselijke aard van Jezus Christus, waardoor Maria enkel de moeder van de menselijke Jezus kon zijn en verder geen goddelijk status had.

Dit werd in die tijd als ketters beschouwd door de christelijke orthodoxie en na de Concilie van Efeze (431) werd Nestorius verbannen naar de Egyptische woestijn, waar hij in 451 stierf.
Zijn volgers zetten zijn ideeën voort in de Assyrische kerk van het Oosten, maar in Mesopotamië en Perzië bleven ze een minderheid.
Vervolging door de heersers van die tijd zorgde ervoor dat ze zich gingen verspreiden over Azië: gemeenschappen vestigden zich bijvoorbeeld in Indië. In de zevende eeuw bereikte het nestorianisme ook China via de zijderoute.
De nestoriaanse christenen vestigden kerken en gemeenschappen in steden zoals Chang'an (tegenwoordig Xi'an) en Luoyang. In het Chinees werd de theologie van de nestorianen als 'verlichte leer' (明教, Míngjiào) aangeduid, een verzamelterm voor alles wat als christelijk werd beschouwd.
De nestoriaanse christenen kregen aanvankelijk een goede ontvangst in China. Ze pasten zich aan aan de Chinese cultuur en gebruikten de Chinese taal en terminologie om het christendom te verspreiden en ze vertaalden belangrijke religieuze teksten in het Chinees, zoals de Bijbel en liturgische geschriften.
Maar ze hadden ook de tijd mee.
De Tang-dynastie (618-877) was een bloeiperiode in de Chinese geschiedenis, waarbij er veel vertrouwen was in de eigen cultuur en het keizerlijk hof openstond voor buitenlandse invloeden en uitwisseling.
Via militaire expedities naar het westen breidde de Tang hun macht uit. De overgave van de volken in Turkestan zorgde rond 630 ervoor dat de route van en naar Perzië open lag en veilig bereisd kon worden.
De eerste missionarissen reisden zo richting het oosten om de leer van Nestorius te verspreiden.
De missie
Volgens de overlevering arriveerde de Syrische Aluoben of Alopen (阿羅本) in 635 als eerste missionaris in China en kreeg hij in 638 officiële toestemming van Tang-keizer Taizong (626-648) om een kerk te stichten.
Hij wijdde 21 monniken in en hield zich bezig met de vertaling van theologische geschriften. Voor deze klussen mocht hij gebruikmaken van de keizerlijke bibliotheek en in 638 voltooide hij met hulp van Chinese medewerkers een eerste vertaling.
Een echte vertaling was het niet, maar meer een interpretatie van het evangelie van Jezus de Messias, waarin Alopen veel nadruk legde op het feit dat het christendom verenigbaar was met de Chinese traditie. Zo legde hij uit dat loyaliteit ten aanzien van de staat en kinderlijke piëteit niet tegenover de christelijke leer stonden.
De keizer was tevreden over Alopen's 'vertaling' en gaf opdracht voor de bouw van een klooster in het westen van Chang'an. In dat deel van de stad concentreerden zich ook de handelaars uit Centraal Azië, waaronder zich zeker al nestoriaanse christenen bevonden.
Keizer Gaozong, de opvolger van Taizong, was eveneens gecharmeerd van de christenen in zijn rijk. In een keizerlijk edict schonk hij Alopen de titel van Spiritueel Meester. Het nestorianisme verspreidde zich vervolgens buiten Chang'an, zo ver is zeker.

Er bestonden kloosters in Luoyang, Dunhuang, Lingwu en waarschijnlijk ook in Sichuan provincie. Verdere biografische gegevens over Alopen en de nestoriaanse activiteiten zijn spaarzaam.
Hetzelfde geldt voor de nestoriaanse monnik Adam, bekend als Adam van Xi'an, die de tekst voor het nestoriaanse monument verzorgde. Op de steen, die in de zeventiende eeuw werd ontdekt, wordt hij vermeld als maker met zijn Syrische en Chinese naam (Jǐngjìng, 景淨).
Aangenomen wordt dat hij was geboren in 750/751 en dat hij de auteur is van de zogenaamde jingjiao-documenten, een verzameling nestoriaanse geschriften in het Chinees die in 1908 werden ontdekt in een verzegelde grot in Dunhuang.

Vanwege zijn uitstekende beheersing van het klassieke Chinees vermoedt men dat Adam was opgegroeid in China en een Chinese opleiding had genoten. Opvallend is dat in de teksten taoïstische en confucianistische elementen worden vermengd met het evangelie.
Dit paste in de strategie van adaptatie die de nestorianen toepasten om hun religie te verspreiden in China. In het eerste deel van de tekst op het nestoriaanse monument wordt bijvoorbeeld gesproken over God als de schepper van de tienduizend dingen (een verwijzing naar de Dao dejing).
Daarvoor bevindt de kosmos zich in een chaotische staat en pas wanneer de qi de tegenovergestelde polen aarde en hemel creëert, kan God zijn werk beginnen. Dit is geheel conform de Chinese kosmologie en zal niet veel conflict hebben veroorzaakt bij de Tang-elite.
Tijdens de Tang-dynastie verbleven zelfs nestoriaanse bisschoppen in China. Bisschop Gabriel (Jíeliè, 及烈), die aan het begin van de achtste eeuw in China actief was, wordt in diverse bronnen vermeld. In 713 of eerder zette hij voet aan wal in Canton (nu Guangdong).
Om indruk te wekken bij de keizer maakte hij 'wonderlijke objecten'. De keizer waardeerde de waardevolle curiosa die bisschop Gabriel vervaardigde. In 732 ging de bisschop op een tweede missie naar Chang'An, die eveneens succesvol de weg effende voor nestoriaanse activiteiten in het Tang-rijk.
Verval
Onder de patronage van de Tang-keizers bloeide het nestorianisme in China op. Een keizerlijk edict uit 744 bevestigde de aanwezigheid van de nestorianen uit het Romeinse rijk(!) en stond hun activiteiten toe.
Helaas veranderde alles toen in 840 keizer Wuzong de troon besteeg en de taoïsten de overhand kregen aan het hof. De vervolging en onderdrukking van het boeddhisme in 845 viel ook het nestorianisme en andere religies ten deel, zoals zoroastrisme en judaïsme.
De val van de Tang-dynastie in 907 deed de rest. Er zijn echter historische aanwijzingen dat kleine nestoriaanse gemeenschappen nog enige tijd hebben overleefd in verre delen van het rijk.
Dunhuang, een belangrijk knooppunt op de zijderoute, behield een nestoriaanse aanwezigheid. In de Mogao-grotten bij de plaats zijn diverse oude geschriften ontdekt die verband houden met het nestorianisme.
Bovenal bleven nestoriaanse gemeenschappen actief in Turpan, vijfhonderd kilometer ten westen van Dunhuang (nu de provincie Xinjiang).
Historische bronnen en archeologische vondsten, zoals inscripties en grafstenen, wijzen op een voortzetting van het nestorianisme in Turpan tot in de veertiende eeuw.
Ook de wereldberoemde Marco Polo verhaalt in zijn reisbeschrijvingen over nestoriaanse kerken, bekende nestorianen en steden met een nestoriaanse gemeenschap.

In 1278 maakte Polo een reis van Khanbaliq (nu Beijing) naar Quanzhou en zag voorbij de Yangzi-rivier in Zhenjiang, bijvoorbeeld twee nestoriaanse kerken die waren opgericht door ene bisschop Sergius.
Voor Polo waren de nestorianen ketters, die de Roomskatholieke Kerk niet volgden. Hij schrijft:
'Er zijn mensen die de wet van Christus volgen, maar niet volgens de verordeningen van de Roomskatholieke Kerk, want ze volgen op diverse punten het verkeerde pad'.
Een andere reiziger die eveneens ontmoetingen had met nestorianen was de Vlaamse missionaris Willem van Rubroeck, die in de dertiende eeuw een reis maakte naar het Mongoolse hof.
Van Rubroecks reisverslag is aanzienlijk betrouwbaarder dan dat van Marco Polo. Hij beschrijft bijvoorbeeld als eerste westerling de gebruiken van het boeddhisme.
Van Rubroeck was vanwege zijn theologische achtergrond veel beter in staat om onderscheid te maken tussen de diverse religies. Jacobieten, Grieks-orthodoxen en moslims kwam hij onder andere tegen op zijn pad.
Echter, net als Polo, beschouwde hij de nestorianen als ketters. Hij beschuldigde hen van corrupt gedrag en hekelde hun goedgelovigheid. Polo's en Van Rubroecks observaties vallen samen met een opleving van het nestorianisme in China tijdens de Yuan-dynastie (1271-1368).

De mongoolse heerser over China, Kublai Khan (1215-1294), had geen bezwaren tegen de nestoriaanse aanwezigheid in zijn rijk. Nota bene, zijn moeder was een nestoriaan en het is bekend dat hij toestond dat nestoriaanse priesters wierook voor hem brandde. Hij kuste zelfs de heilige geschriften op Paasdag en Kerstdag.
Aan het hof beëdigde hij bovenal een nestoriaan als leider van het ministerie voor westerse astronomie en medicijnen, maar het moet gezegd worden dat de Mongoolse heerser, met uitzondering van de islam, op goede voet stond met alles religies op het grondgebied.
Net zoals het nestorianisme in de Tang-dynastie sterk afhankelijk was van patronage voor haar voortbestaan, zo bleek zij even afhankelijk van de gunst van de keizer in de Yuan-dynastie. Met de val van de Yuan-dynastie in 1368 en de opkomst van de Ming-dynastie verdween het nestorianisme in China.
Moderne nestorianen
Op het gebied van het vroege christendom in China worden nog steeds nieuwe ontdekkingen gedaan. In 2014 was de vondst van een nestoriaans graf in de provincie Henan belangwekkend nieuws.
Het graf, dat werd gemarkeerd met een Syrisch kruis, bevatte de menselijke resten van een christen en was daarmee het oudste ontdekte nestoriaanse graf tot dan toe. De ontdekking werd gedaan op het terrein van de Longmen Grotten, waar vele boeddhistische en taoïstische sculpturen te vinden zijn.
Onderzoeker Jiao Jianhui, die de ontdekking deed, speculeerde dat dit een ander licht werpt op de vermoede onderdrukking van nestorianisme onder het boeddhisme. Zulke vondsten voegen stukje bij beetje detail toe aan het nestorianisme in het oude China.

Echter het verdwijnen van de nestoriaanse gemeenschappen na de veertiende eeuw is nog steeds een vaststaand gegeven. In Irak, met name de regio Koerdistan, en India bleef het nestorianisme op een handjevol plaatsen voortbestaan.
Onderdrukking in de negentiende en twintigste eeuw door de Iraakse en Turkse regering reduceerde het aantal gelovigen flink. De overgebleven aanhangers verspreidde zich daarna over de rest van de wereld, zodat heden ten dage het aantal op 300.000 wordt geschat.
De nestoriaanse missie leeft nu voort onder de naam Assyrische Kerk van het Oosten en de huidige patriarch, Mar Awa III, leeft in de VS. Zijn voorganger Mar Dinkha IV, die tussen 1976 en 2015 de kerk leidde, was zeer succesvol in het uitbreiden van het aantal leden en wist de banden met de Roomskatholieke Kerk aan te halen.
In 1978 had hij zijn eerste ontmoeting met paus John Paul II en de opvolgende gesprekken met het Vaticaan resulteerde in 1994 in een officiële wederzijdse erkenning. Daarmee kwam een einde aan ruim vijftienhonderd jaar verkettering van het nestorianisme.
Nog interessanter was het bezoek van Mar Awa III aan China in 2012. Voor zijn inwijding als patriarch bezocht hij Xi'an als priester en sprak hij ter plekke de heilige eucharistie uit in het Aramees, de klassieke semitische taal. Hij bezocht ook het nestoriaanse monument.
※※※
Het nestoriaanse monument
In 1623 of 1625 werd het nestoriaanse monument ontdekt in Xi'an. De steen van twee ton, ook wel bekend als de Xi'an stele, is een historisch artefact dat een belangrijk inzicht biedt in de vroege geschiedenis van het christendom in China.

Het monument werd ontdekt tijdens graafwerkzaamheden op het terrein van de Chongren-tempel buiten Xi'an. Het is een kalksteen tablet uit 781 met inscripties in het Chinees en Syrisch, waarop de laatste 150 jaar van de geschiedenis van het christendom in China wordt beschreven.
De inscripties vermelden de aankomst van de eerste nestoriaanse missionarissen, waaronder Alopen, tijdens de Tang-dynastie, hun interacties met de keizerlijke hoven en de vestiging van nestoriaanse gemeenschappen.
Kort na de ontdekking bracht een Chinese christen de Jezuïeten in beijing op de hoogte. Een afdruk van de steen werd onmiddellijk vertaald naar het Latijn en doorgestuurd naar Europa.
Tot het moment van de ontdekking hadden de Jezuïeten geen idee dat het christendom al duizend jaar eerder was gearriveerd in China, daarbij moet wel gezegd dat zij het nestorianisme als ketters beschouwden en er daarom vanuit de Roomskatholieke Kerk verzet was tegen onderzoek van de steen.
De echtheid van de steen werd zelfs het middelpunt van verhitte discussies onder Europese academici in de zeventiende en achttiende eeuw.
Desalniettemin is het nestoriaanse monument van onschatbare waarde, omdat het een tastbaar bewijs is van het vroege christendom in China en het contact tussen de nestorianen en de Chinese samenleving.
Het werpt licht op de religieuze diversiteit en tolerantie in het oude China, waar verschillende religies en filosofieën naast elkaar konden bestaan. In de gebeitelde titel op het monument wordt gesproken over de leer uit Daqin (大秦), wat de Chinese benaming is voor het Romeinse rijk.
De ontdekking van de steen zorgde voor hernieuwde belangstelling voor de vroege geschiedenis van het christendom in China. Het monument is nog steeds te bezichtigen in het Stele Forest Museum in Xi'an, maar de inscripties en illustraties op de steen zijn door de eeuwen heen zo goed als onleesbaar geworden.
Palmzondag in Turpan
Tussen 1902 en 1914 voerden de duitsers Albert von le Coq (1856-1935) en Albert Grünwedel (1860-1930) in totaal vier archeologische expedities uit in de oase Turpan, provincie Xinjiang.
Het doel was zoveel mogelijk belangwekkende kunstobjecten en teksten te verzamelen. Professor Grünwedel was hoofd van de etnografische afdeling van het toenmalige Museum für Völkerkunde in Berlijn.
Geïnspireerd door de bevindingen van Russische expedities in Centraal Azië wist hij met financiële hulp van onder meer de firma Krupp een eerste expeditie te leiden in 1902-1903.
Het resultaat was 46 kratten met schilderijen, beelden, manuscripten en nog eens 13 kratten met zoölogische objecten, zodat al snel een tweede expeditie werd opgezet die het jaar erop naar de Turpan depressie trok.

Deze werd geleid door zijn assistent, de rijke bierbrouwer Le Coq, want Grünwedel moest verstek laten gaan vanwege zijn gezondheid. Le Coq ging rigoureus te werk en hakte fresco's uit de rotsen om deze vervolgens te verschepen naar Berlijn, vandaar dat zijn naam vandaag de dag een bittere nasmaak heeft in China.
Desalniettemin leverde de tweede expeditie een nog grotere schat op, waaronder de vondst van een christelijke kerk in Qocho, dertig kilometer van Turpan. In de kerk ontdekte de expeditieleden een drietal fresco's, die Palmzondag, berouw en de intocht in Jeruzalem uitbeelden.
Natuurlijk zette Le Coq er meteen de zaag in om het te versturen naar Berlijn. Het laatste fresco van de intocht is verloren gegaan en bestaat enkel nog als een schets die Grünwedel in 1905 maakte, maar het fresco van de Palmzondag processie toont een priester met een aziatisch uiterlijk en een drietal figuren, die palmtakken vasthouden.

De priester heeft in zijn ene hand een wierookvat vast en in zijn andere hand waarschijnlijk een vat met heilig water. Het fresco laat verder een vrouw zien in een rood gewaad, die devoot haar handen vouwt.
Beide fresco's zijn tegenwoordig te bezichtigen in het Museum voor Aziatische Kunst in Berlijn en dateren uit de zevende tot negende eeuw.
※※※



Opmerkingen