Thomas Stevens: Een Victoriaans fietsavontuur in China
- Alex Van Egmond

- 10 jan
- 18 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 13 jan

Een van de grootste pioniers uit de geschiedenis van het fietsen was de Engelse avonturier Thomas Stevens (1854–1935). Hij werd wereldberoemd als de eerste persoon die de aarde rondreisde op een fiets.
In april 1884 vertrok hij vanuit San Francisco op een hoge bi, een fiets met een groot voorwiel en een klein achterwiel. Zijn buitengewone reis duurde ruim twee jaar en eindigde in Japan.
Na zijn terugkeer bundelde hij zijn ervaringen in het tweedelige werk Around the World on a Bicycle (1887), dat nog altijd wordt gezien als een klassieker in de reis- en fiets-literatuur.
Met zijn nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen en pioniersgeest symboliseerde Stevens het optimisme van de negentiende eeuw, een tijd waarin techniek, ontdekkingslust en persoonlijke vrijheid centraal stonden. In dit artikel belicht ik de belevenissen van Stevens in China.
Tekst: Alex van Egmond
Nog niet zo lang geleden stond ik mijmerend voor het graf van Thomas Stevens op de begraafplaats van East Finchley in Londen. Het uitgestrekte terrein heeft sierlijke lanen, oude bomen en prachtige grafstenen uit de Victoriaanse en Edwardiaanse tijd.
De begraafplaats nodigt uit tot een wandeling langs de imposante familiegraven, obelisken en standbeelden. Vele britse beroemdheden zijn hier begraven, waaronder dus Thomas Stevens.

Zijn graf, dat gemarkeerd wordt door een verweerd kruis, oogt wat gewoontjes bij de rest van de monumenten op het terrein. Toch is Stevens de belangrijkste bewoner van het knekelveld, maar als fietsfanaat ben ik natuurlijk bevooroordeeld.
Tussen 1884 en 1886 schreef hij geschiedenis toen hij als eerste de wereld rond fietste. Het eerste deel van zijn tocht voerde hem dwars door de Verenigde Staten, van San Francisco naar Boston, over een afstand van bijna 6000 kilometer.
Stevens volgde voornamelijk de transcontinentale spoorweg. Allereerst om te navigeren. In grote steden kreeg hij vaak hulp van de plaatselijke véloclubs. Deze eerste wielerclubs waren nog maar enkele jaren actief in de VS, maar hadden zich al sterk georganiseerd.
De enthousiaste leden voorzagen Stevens van onderdak en van route-informatie. Soms reden ze een stuk mee om er zeker van te zijn dat hij de goede afslag zou nemen. Echter het merendeel van de tocht reed Stevens solo.
Ten tweede volgde hij de spoorweg vanwege de berijdbaarheid. De luchtband was ten tijde van Stevens wereldreis nog in ontwikkeling. Daarom reed Stevens op massieve rubberen banden, zoals alle andere fietsen uit die tijd.
De massieve rubberen banden waren al een grote vooruitgang op de houten wielen van de zogenaamde 'bottenrammelaars' uit de voorgaande decennia. Zonder al te veel oponthoud bereikte Stevens Boston op 4 augustus 1884.
Hij was exact 103 dagen onderweg geweest en werd daarmee de eerste mens die de VS had doorkruist met een fiets. Vandaar stak hij per stoomschip de Atlantische Oceaan over naar Liverpool.. Het Europese deel van zijn reis voerde hem van Engeland naar Constantinopel, het huidige Istanbul.
De route ging verder via Kurdistan (Irak), Perzië (Iran) naar Afghanistan. Aldaar raakte hij in de problemen vanwege de politieke situatie. Officieel was het land onafhankelijk, maar op de achtergrond probeerden Rusland en Groot-Brittannië hun invloed uit te oefenen.
In Herat werd Stevens gearresteerd en korte tijd vastgehouden op verdenking van spionage.
Na lange ondervragingen kwamen de Afghaanse autoriteiten tot de conclusie dat Stevens weliswaar een excentriekeling was, maar geen spion.
Stevens werd onder escorte teruggebracht naar de Perzische grens. Over land China bereiken bleek een onhaalbaar plan. Via Karachi en Brits-Indië fietste Stevens noodgedwongen naar Calcutta om daar in te schepen op een schip richting Hongkong.

Maanden eerder sprak hij in Boston met een zekere meneer French over het Chinese keizerrijk. Meneer French had enige tijd door het Land van het midden gereisd en kon Stevens voorzien van informatie uit de eerste hand.
Meneer French gaf hem de beleefde waarschuwing om China niet te bezoeken met zoiets buitenaards als een fiets en drukte hem op het hart om vooral zijn Anglo Britse instincten te verlaten en de Chinese nieuwsgierigheid gelaten te aanvaarden.
Stevens concludeerde voortijdig dat bij het omgaan met de Chinezen voorzichtigheid belangrijker was dan heldhaftigheid. Veel moed had hij zeker nodig op zijn fietstocht van Kanton naar Shanghai.
Eerste kilometers
Stevens' uitrusting voor zijn wereldreis was extreem minimalistisch en woog waarschijnlijk maar vijf kilo. Een extra paar sokken, een extra overhemd, een regenmantel, gereedschap, een kaars, lucifers, een dagboek en een revolver waren de spullen die hij op zijn hoge bi vervoerde.
Deze spullen zaten in een kleine, leren tas die weer was vastgesnoerd aan het stuur. De regenmantel was een zogenaamde gossamer, een voorloper van de moderne regenjacks van polyester. De rubberen stof was waterdicht en makkelijk op te rollen, maar wel kwetsbaar.
Voor het Aziatische deel van zijn reis bereidde Stevens zich gedegen voor. Naast bovenstaande uitrusting liet hij in Istanbul leren mocassins maken. Deze makkelijke instapschoenen hadden opstaande uiteinden en ze 'pasten als een handschoen'.
Daarnaast liet Stevens een tent vervaardigen van een sterk zeil dat opgerold weinig ruimte innam. Het zeil had hij met lijnzaadolie bewerkt, zodat het waterdicht werd. Zijn fiets kon dienen als tentstokken.
Stevens creëerde zo waarschijnlijk de eerste 'fietstent' ter wereld.
Op 7 oktober 1886 zette Stevens voet aan wal in Hongkong met zijn uitrusting. Zijn trouwe fiets was veilig overgebracht uit Calcutta. De wereldreiziger wachtte daarna in Kanton (nu Guangzhou) enkele dagen op een vrijgeleide van de onderkoning.
De Chinese diplomaten op het consulaat raadden hem af om solo te fietsen door China, maar Stevens was vastberaden. Bij ontvangst van de vrijgeleide op 12 oktober 1886 ging hij direct op weg, .

De taalbarrière was een eerste hindernis, want probeer maar eens uit te leggen waar je heen wilt als je geen woord Kantonees of Mandarijn Chinees spreekt.
Stevens schreef er luchtig over en gebruikte een vergelijking:
'Stel je een eenzame Chinees voor die, omringd door een dichte menigte in de Bowery in New York, de weg naar Philadelphia wil weten en slechts het ene woord 'Phaladilfi' uitbrengt — dan krijgt de lezer een vage indruk van mijn eigen situatie in Fat-shan [nu Foshan] en van de lachwekkendheid ervan'.
Achteraf kon Stevens er vrolijk over doen, maar regelmatig dreef het hem tot wanhoop. Wanneer hij Chinese voorbijgangers aansprak, kreeg hij vaak als reactie niet meer dan 'een brede maar volkomen expressieloze grijns'.
En wanneer een Chinees een beetje steenkool-Engels sprak en hem een richting opstuurde, dan bleken die aanwijzingen van geen waarde. Stevens besefte dus al snel dat hij op zijn intuïtie moest vertrouwen en de wegen op zijn kaart moest volgen.
De steden konden Stevens niet bekoren. Met hun smalle straten en een 'smerige menigte' waren die overbevolkte plaatsen een beproeving. Voor het platteland had hij meer waardering.
Zijn route volgde redelijk begaanbare, verharde en onverharde paden, langs suikerriet plantages, rijstplantages en bamboebossen. De dorpjes waren voor Stevens 'in het oog springend en aantrekkelijk'.

Langs de Parelrivier zag hij gecultiveerde velden en boogvormige graven op de hellingen van de heuvels. Vrouwen, mannen en kinderen waren bezig in de velden, want de pinda-oogst was begonnen. Stevens schreef:
'Een groep pindarooiers doet zich tegoed aan gestoofde rapen en taaie, onvoldoende gare stukjes gedroogde lever. Ze nodigen mij uit om mee te eten en geven mij een paar eetstokjes en een kom'.
Bovenstaande klinkt idyllisch, maar Stevens leerde gaandeweg dat de bevolking zich ook tegen hem kon keren.
Moeilijkheden
Lichamelijke klachten waren Stevens niet vreemd. Hij ondervond in Californië en Colorado aan de lijve hoe de zon zijn nek verbrandde en voor blaren zorgde. En dorst, een neveneffect van de zon, deed hem steeds verlangen naar een waterbron.
Daarnaast beschreef hij zichzelf regelmatig als een 'hongerige reiziger' en gezien de afstanden die hij onder vaak barre omstandigheden aflegde, was dat ook niet zo gek. Een gebrek aan calorieën zorgde ervoor dat hij vermoeid raakte.
Diep in de provincie Guangdong kreeg hij bovendien te maken met een serieuze blessure: een overbelaste knie. De blessure speelde hem parten, waardoor hij begon te strompelen.
In zijn boek beschrijft hij hoe hij 's ochtends door het stadje Chin-yuen (Qingyuan) waggelde, terwijl de inwoners elkaar met veel leedvermaak aanstootten en hem giechelend nariepen. Stevens besefte dat hij op sympathie niet hoefde te rekenen.
Een buitenlander die met zoiets vreemds als een fiets door de straten strompelde, werd door de Chinezen gezien 'als een schepsel dat zo opmerkelijk komisch is, dat alleen al de vermelding van hem hen doet lachen'.
Echter, dezelfde dag tegen schemertijd arriveerde Stevens in een dorpje, waar er bij de inwoners geen lachje vanaf kon. Gewoonlijk omcirkelde een grote mensenmassa hem in dit soort situaties, maar de inwoners bleven op afstand en keken hem wantrouwig aan.

Wanneer een aantal inwoners uitbarst in 'een stortvloed van boze woorden en opgewonden gebaren', is het voor Stevens tijd om te gaan.
Met een knorrende maag en een pijnlijk opgezette knie vervolgt hij gehaast zijn weg. De boze dorpsbewoners zetten de achtervolging in met toortsen, maar de invallende duisternis is in het voordeel van Stevens.
Een paar kilometer buiten het dorp weet hij met veel moeite een op een eilandje in de rivier te bereiken. Hij kan zich verschuilen in een dicht bamboebos. Vanuit zijn schuilplaats ziet hij zijn belagers aan de overkant met toortsen langs schuifelen.
Wanneer de kust weer vrij is, verlaat Stevens zijn van muggen vergeven schuilplaats. De nacht is gevallen en dit is zijn redding. Hij volgt de rivierbedding door het donker totdat hij de volgende ochtend een plaats genaamd Quang-shi bereikt.
Stevens' kaarten zijn uitgespeeld, figuurlijk en letterlijk, want de plaats staat niet aangegeven op zijn landkaart. Hij moet wel stoppen in het onbekende plaatsje om te rusten, maar stel dat de bewoners net zo vijandig zijn, dan kan hij met zijn hongerige en geblesseerde lijf niet vluchten.
Hij besluit het plaatsje binnen te strompelen en hoopt op een goede afloop.
'Met de revolver naar voren getrokken en gereed in de hand, half verwachtend dat ik hem zou moeten gebruiken om mijn leven te verdedigen, overweeg ik grimmig het aantal patronen dat ik heb [...]'.
De bewoners zijn echter goed gezind tot Stevens grote opluchting. Hij stilt zijn honger en dorst en laat zich inschepen op een sampan. Deze boot brengt hem in drie dagen naar Chao-choo-foo (Chaozhou, tegenwoordig een district buiten Shaoguan).

Op de sampan was Stevens even veilig en kon hij zijn gehavende lichaam laten herstellen. Achteraf bedacht hij zich dat de inwoners van het vijandige dorp waarschijnlijk hadden gehoord van de vernederde verliezen in de Chinees-Franse oorlog.
Tussen augustus 1884 en april 1885 was het Chinese keizerrijk namelijk in oorlog met Frankrijk over Tonkin (Noord-Vietnam). Een van de meest opzienbarende gebeurtenissen speelde zich af in de haven van Fuzhou.
De Fransen brachten op 22 augustus 1884 een vernederende slag toe aan de zuidelijke vloot van de Qing. Negen schepen werden in een uur tot zinken gebracht met 3000 doden tot gevolg. De verliezen aan Franse kant waren minimaal.
Deze gebeurtenis zorgde voor een golf van patriottistische gevoelens en xenofobie onder de Chinese bevolking.
Tegen de tijd dat Stevens in China aankwam, was de strijdbijl allang begraven met de Vrede van Tianjin, 4 april 1885. Desalniettemin sijpelde dat nieuws maar langzaam door in de binnenlanden van China.
Stevens was dus net op het verkeerde moment op de verkeerde plaats en moest het bijna met de dood bekopen. Het zou niet de laatste dans voor hem zijn met magere hein.
Nieuwe provincie
Ondanks alle ellende lachte in Chao-choo-foo het geluk Stevens toe. Na zijn aanwezigheid kenbaar te hebben gemaakt bij de plaatselijke ambtenaar van dienst wordt hij gesommeerd een onderling te volgen door de nauwe straten van de stad.
Hij komt bij een groot complex dat duidelijk een officiële functie heeft. Tot zijn stomme verbazing wordt de deur opengedaan door een jonge Engelsman. Het blijkt één van de twee Presbyteriaanse missionarissen die in de plaats zijn gestationeerd.
De twee missionarissen voorzien hem van een weldadig maal, maar beter nog, ze voorzien hem ook van waardevolle informatie over de verdere route.
Ingehuurde Koelies zullen de fiets van Stevens over de Maeling bergpas (Meiling guan) naar Nam-gnam (Nankang) dragen. Afhankelijk van de hoogte van het water in de Zhangshui rivier kan hij dan zelf verder per sampan naar de eerstvolgende plaats Kan-tchou-foo (Ganzhou), om vandaar zijn fiets weer te bestijgen.
De Meiling bergpas vormde al sinds de Qin-dynastie (220-206 vC.) de grens tussen de provincies Guangdong en Jiangxi. De doorgang lag op een belangrijke handelsroute tussen het zuiden en het noorden. Een aantal fortificaties werd in de opeenvolgende eeuwen gebouwd.
Het belang van deze historische bergpas was Stevens een beetje ontgaan, want hij had meer oog voor de pinda-stalletjes langs de weg,
'Pindakraampjes komt men op korte afstand van elkaar tegen, waar oude dames of gerimpelde oude mannen de scepter zwaaien over kleine schoteltjes met halfgeroosterde noten, pindakoekjes met suiker, gewone pindakoekjes, pindakransjes, pindedeeg, pindasnoep, pinda’s bestrooid met suiker, pinda’s bestrooid met zout, en pinda’s zo vers als net uit de grond'.
Op minder flatteuze wijze beschrijft Stevens vervolgens wat de pinda-consumptie met de mensen doet:
'De mensen lijken bijna te leven op pinda’s, een beklagenswaardig dieet dat waarschijnlijk iets te maken heeft met hun wonderbaarlijke lelijkheid'.
Vele pinda-kilometers later bereikte Stevens het buitengebied van Kan-tchou-foo (Ganzhou). Het water in de Zhangshui rivier stond te laag om een sampan te nemen.
Toen de stad dichterbij kwam, moest hij zich ontdoen van de dragers, die inmiddels meer een 'ondragelijke last' waren dan een voordeel.
Stevens had al voorzien dat de dragers stampij gingen maken en een hogere vergoeding zouden afdwingen. De Smith & Wesson revolver die hij naar boven haalde, bracht hen echter op meer humane ideeën.

Na Kan-tchou-foo kon Stevens eindelijk weer op zijn stalen ros klimmen en reed hij zonder al teveel problemen via bergachtige paden naar Ki-ngan-foo (Ji'an). De versterkte dorpen die hij doorkruiste, toonden de littekens van de Taiping Opstand.
Inslagen in de muren en omineuze ruïnes herinnerden nog aan het tumult dat de door het christendom geïnspireerde leider Hong Xiuquan tussen 1850-1860 teweeg bracht. Tussen de 20 en 30 miljoen mensen (vooral burgers) verloren het leven in deze burgeroorlog.
Onderweg zag hij ook vrouwen met gebonden voeten die geschrokken probeerden te vluchten voor de vreemdeling op de fiets.
Stevens beschrijft de tragikomische situatie als volgt:
'Men zou zich hen haast kunnen voorstellen als een kolonie kreupele konijnen, die, gealarmeerd door de nadering van een hond, proberen weg te hinken van zijn vernietigende aanwezigheid'.
De praktijk van het voetbinden was in de arme gebieden van Jiangxi zeer gebruikelijk. De Mantsjoes praktiseerden deze traditie niet en verboden de praktijk, maar zonder succes.
Wat ooit begon als een gewoonte onder de Han-elite in de vroege Song-dynastie (960-976), verplaatste zich naar de boerenbevolking, aangezien men met deze zogenaamde lelie-voetjes een hogere bruidsprijs kon krijgen voor een dochter.
De boot
Angst en verbazing vormden ook het welkom dat hij ontving bij de toegangspoort van Ki-ngan-foo (Ji'An), maar de sfeer sloeg razendsnel om. Een paar ordehandhavers vergezelden hem zoals gewoonlijk naar het hoofdkwartier van de Mantsjoes in de stad.
Halverwege het hoofdkwartier vliegen de stenen in het rond, met het doel de ongewenste vreemdeling te raken. Het is dankzij Stevens typische, koloniale tropenhelm dat ernstig letsel wordt voorkomen.
Aan de eerste poort van het Mantsjoe-hoofdkwartier lijkt de boze menigte enigszins te bedaren en maakt het gezelschap gebruik van de aarzeling om de veiligheid op te zoeken.
Eenmaal door de poort zwelt de woedende menigte weer aan en vliegen de stenen opnieuw door de lucht, maar ditmaal met meer uitzinnige kracht. De ordehandhavers zetten er de vaart in en niet zonder reden.
Eén van de ordehandhavers wordt lelijk geraakt aan zijn arm en vervolgt kermend zijn weg. Gelukkig komen net op tijd soldaten uit het hoofdkwartier om de menigte op afstand te houden.
Een paar gebroken spaken, een gedeukte tropenhelm, blauwe plekken en een ordehandhaver met waarschijnlijk een gebroken arm was het resultaat, constateerde Stevens nuchter.
Ook in deze stad was de menigte furieus vanwege het Tonkin conflict met de Fransen.
Dat Stevens in de verste verten geen Fransman was, deed er niet toe. De menigte wilde zijn bloed,
In het hoofdkwartier hoorde Stevens dat een paar buitenlandse missionarissen een aantal dagen eerder het hazenpad hadden moeten kiezen. Ook zij werden bijna gelynchted.
Pas rond middernacht verstomt het tumult buiten de muren van het hoofdkwartier. Stevens wordt discreet in een draagstoel gehesen en met gezwinde spoed naar de rivier begeleid. Daar wacht hem een sampan die hem naar de volgende stad brengt.
De kalmte van de nacht en het water doen Stevens mijmeren over het contrast met de afgelopen uren.
[T]erwijl we geruisloos met de stroom meedrijven, [met] de sikkelmaan, het glinsterende water — en de langzaam verdwijnende lichten van de stad; welk gevaar kan er nu mogelijk schuilen in zo’n stille en vredige aanblik als deze?
Het had heel anders voor Stevens kunnen aflopen als de Mantsjoe-soldaten niet in de buurt waren geweest. Verderop de rivier vergezelt een klein fregat de sampan van Stevens en zijn begeleiders.

Het fietsavontuur in China is ten einde, zoveel realiseert Stevens zich, want de autoriteiten zitten niet te wachten op een dode Brit die zich verplaatst op zoiets raars als een fiets. Pas in Kui-Kiang (Jiu Jiang) komt Stevens weer enigszins op kracht.
Het Engelse consulaat in de stad ontvangt de hongerige reiziger. Op het consulaat bekijkt hij zichzelf in de spiegel.
'Met lang haar, een gezicht dat al vijf weken niet is geschoren, mager en uitgeteerd door dagelijkse honger, zorgen en de zware ontberingen in het algemeen, zie ik er erger uit dan een opgejaagde windhond'.
Veel rust gunde Stevens zich niet. Binnen een uur na aankomst liet hij zich inschepen op een stoomschip naar Shanghai om daar op 18 november aan te komen. Een dag later verliet hij China op een stoomschip naar Nagasaki in Japan.
In zes weken tijd had hij ruim 2000 kilometer afgelegd door China te voet, per fiets en per boot, maar het avontuur had hem fysiek en mentaal uitgeput. Hij schreef in zijn boek over China:
'Eindelijk neem ik afscheid van de ontberingen, de afschuwelijke smerigheid, de afstompende mensenmassa’s, de verfoeilijke paden en het voortdurend aanwezige gevaar'.
Stevens vervolgde zijn wereldreis door Japan, waar hij in veel opzichten het tegenovergestelde van China ervoer. De stad Nagasaki was bijvoorbeeld '[...] zo schoon alsof zij pas geschrobd en gepolijst was [...]'.
De overvloedige aanwezigheid van voedzaam eten was Stevens niet ontgaan, en dan vooral vis. Zelfs in afgelegen dorpen kon hij zich te goed doen aan '[...] een flinke rog bij het avondeten, die voortreffelijk te eten [was]'.
Daarnaast was van anti-westerse sentimenten in Japan geen sprake. De Meiji restauratie was al een paar decennia eerder in gang gezet. Stevens observeerde een land dat in hoog tempo industrialiseerde en zich op sociaal en politiek vlak snel ontwikkelde.
Er bestond een gekte voor alles Europees, zo merkte Stevens op:
'De rage voor buitenlandse nieuwigheden doordringt alle lagen van de samenleving, en elke ijdeltuit in het dorp koestert de wens om een of ander stuk Europese kleding te bezitten. Het gevolg is dat men onderweg vaak mannen tegenkomt die een bolhoed dragen, een rode deken, nauwsluitende witte onderbroeken en sandalen van stro'.
Bovenal waren de wegen uitstekend begaanbaar voor Stevens' stalen ros, waardoor hij al op 17 december 1886 in Yokohama aankwam en zijn wereldreis kon afsluiten. Volgens zijn eigen telling had hij bijna 22.000 kilometer (13.500 mijl) afgelegd.
Hulde
Toen Thomas Stevens in december 1886 per schip uit Japan terugkeerde naar San Francisco, had hij iets volbracht wat nog niemand vóór hem had gedaan: een reis rond de wereld op de fiets.
Zijn prestatie maakte hem niet alleen beroemd onder fietsers, maar ook bij een breed publiek dat hongerig was naar verhalen over avontuur, techniek en verre landen.
Vrijwel onmiddellijk na zijn terugkeer begon Stevens aan een nieuw hoofdstuk in zijn leven als schrijver en spreker. Zijn reisverslagen verschenen eerst in tijdschriften (Outing en Harper) en werden daarna gebundeld in het tweedelige boek Around the World on a Bicycle (1887–1888).
Het werk werd goed verkocht en veel gelezen, zowel in de Verenigde Staten als in Europa. Het succes zat niet alleen in de prestatie zelf, maar ook in Stevens’ stijl: ironisch, zelfbewust en soms scherp of bevooroordeeld, geheel in de traditie van 19e-eeuwse reisbeschrijvers.
Naast schrijven werd Stevens een veelgevraagd spreker. In de jaren 1887 en 1888 trok hij langs theaters en zalen in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, waar hij met kaarten, anekdotes en soms zelfs zijn fiets het publiek vermaakte.

Zijn lezingen sloten aan bij de populariteit van de fietsbeweging en bij de bredere fascinatie voor wereldreizen en technologische vooruitgang. Financieel waren deze jaren waarschijnlijk de meest succesvolle uit zijn leven.
De wind is gaan liggen en een matig zonnetje gaat schijnen over de begraafplaats. Ik verlaat het graf waar de avonturier Stevens zijn laatste rustplaats vond en loop via de sierlijke lanen terug naar de uitgang.
Keizerlijk China bleek uiteindelijk het lastigste deel van Stevens' wereldreis, maar met stug doorzettingsvermogen wist hij Shanghai te bereiken. Het is een karaktertrek waar men zelfs in de 21e eeuw nog respect voor kan opbrengen.
※※※
Columbia Standard
De fiets waarop Thomas Stevens tussen 1884 en 1886 als eerste mens de wereld rondreed, was een Columbia Standard, vervaardigd door de Pope Manufacturing Company in Boston.

De Columbia Standard werd gekenmerkt door haar grote voorwiel, met een diameter van circa 1,27 meter (50 inch), en een veel kleiner achterwiel.
De pedalen waren direct aan de as van het voorwiel bevestigd; versnellingen of kettingaandrijving ontbraken.
Snelheid en voortgang waren volledig afhankelijk van spierkracht en rijvaardigheid. Het frame bestond uit licht maar sterk staal, met gesmede spaken en massieve rubberen banden.
De fiets was zorgvuldig uitgebalanceerd om de berijder hoog boven de grond te dragen, een positie die zowel overzicht als kwetsbaarheid bood.
Het berijden van een hoge bi vereiste aanzienlijke vaardigheid. Opstappen gebeurde via een kleine trede op het frame en vereiste een precieze timing. Afstappen was al even riskant, vooral bij onverwachte obstakels of slechte wegen.
Stevens beschreef in zijn reisverslag meerdere valpartijen, maar bleef vertrouwen op zijn fiets. Voor een wereldreis door Europa, het Midden-Oosten, Zuid-Azië en Oost-Azië was de mechanische eenvoud van de Columbia Standard van groot belang.
Het ontbreken van complexe onderdelen maakte de fiets relatief betrouwbaar en goed te onderhouden onder primitieve omstandigheden. Stevens voerde onderweg zelf reparaties uit, vaak met beperkte middelen.
In gebieden waar geen infrastructuur voor mechanisch vervoer bestond, bleek de eenvoud van het ontwerp een cruciale factor voor het welslagen van Stevens' onderneming.
Overal waar Stevens kwam, trok de hoge bi aandacht en verbazing. Voor veel toeschouwers was het de eerste keer dat zij een fiets zagen, laat staan een westerling die er duizenden kilometers op had afgelegd.
De hoge bi kwam later in het bezit van de Pope Manufacturing Company, die er natuurlijk een prachtig uithangbord in zag voor haar betrouwbaarheid en degelijkheid. Helaas werd de fiets tijdens de Tweede Wereldoorlog gedoneerd aan de sloop om de oorlogsindustrie te steunen.
Onverzadigbaar
Na wereldreis keek Stevens al snel uit naar nieuwe avonturen. Hij kreeg in 1888 het voorstel van de New York World krant om naar Oost-Afrika te reizen. Henry Morton Stanley, de man die zeventien jaar eerder de bekende Schotse Dr. Livingstone vond, was zelf al bijna twee jaar onvindbaar.
Stevens nam het werk gretig aan en vertrok naar Zanzibar in 1889. Een half jaar lang zette hij een gigantische zoektocht op in Kenya en Tanzania. In de krant deed hij beeldend verslag van zijn beklimming van de Kilimanjaro en zijn ontmoetingen met de Masai.

Later dat jaar deed Stanley zelf van zich horen. Hij kon Stevens vertellen dat hij nog springlevend was en momenteel terugkeerde naar Zanzibar. Stevens zocht hem op en zijn beschrijvingen resulteerde in Scouting for Stanley in East Africa (1890).
Nog maar net terug van het Stanley-avontuur stuurde de New York World hem op een nieuwe missie naar Rusland. In plaats van de trein te nemen, reed Stevens zes weken lang naar de Zwarte Zee op een paard. Onderwijl hield hij zijn lezers op de hoogte van zijn bevindingen.
Hoogtepunt van de reis was zijn uitgebreide interview met de schrijver Leo Tolstoy. De gevierde schrijver van de klassieker Oorlog en Vrede ontving Stevens op zijn landgoed bij de stad Tula, 200 kilometer van Moskou.

Zijn ervaringen bundelde Stevens in Through Russia on a Mustang (1891). Natuurlijk was Stevens na deze tocht nog niet verzadigd. Hij kreeg een boot in zijn bezit en wist daarmee van de Baltische zee naar de Zwarte Zee te varen, zonder enige zeevaartkunde.
Het volgende en laatste avontuur ging naar India voor Stevens. Hij onderzocht daar de mysterieuze wonderen die Hindoestaanse kluizenaars konden verrichten. De grote reiziger Marco Polo vermeldde dit als eerste in zijn reisverslag Il Milione (ca. 1298).
Naar later bleek dit pure oplichterij te zijn, maar Stevens wist wel een Hindoestaanse kluizenaar te fotograferen die de ene truc na de andere vertoonde. Dit 'overtuigende bewijs' verwerkte hij in een serie lezingen die hij in de Verenigde Staten gaf.
Het Amerikaanse publiek was echter verre van overtuigd en Stevens' reputatie werd zelfs in twijfel getrokken. Een boek over zijn reizen naar India werd, waarschijnlijk uit teleurstelling, nooit gepubliceerd en Stevens besloot in 1894 het avontuur definitief achter zich te laten.
In 1895 trouwde hij met Frances Barnes, een weduwe met twee dochters, en keerde terug naar Engeland, zijn geboorteland. Hij werkte jarenlang als zaakvoerder voor het Garrick Theater in Londen en leefde min of meer in de anonimiteit tot aan zijn dood in 1935.
Véloclubs
Toen in de jaren 1870 de eerste 'ordinaries', de hoge bi met één immens voorwiel, vanuit Engeland naar Amerika kwamen, ontstond er een nieuwe sensatie.
De fiets symboliseerde snelheid, moderniteit en vrijheid, en trok vooral jonge, ondernemende mannen aan uit de groeiende steden van het noordoosten. Wat begon als een individuele curiositeit groeide al snel uit tot een georganiseerde beweging: de eerste véloclubs van de Verenigde Staten.
De oudste en invloedrijkste onder hen was de Boston Bicycle Club, opgericht in februari 1878. Boston, met zijn intellectuele en technologische elite, was de ideale voedingsbodem. De leden, voornamelijk welgestelde zakenlieden en studenten, zagen de fiets niet alleen als een sporttoestel, maar als een middel tot kameraadschap en zelfverbetering.
Ze droegen uniformen met kniebroeken, wollen jassen en petten, en trokken in kleine colonnes de stad uit, op zoek naar de vrijheid van het platteland. Hun tochten werden met bewondering, maar ook met enige spot, beschreven in de kranten. Een man op een hoge bi was immers nog een zeldzaam gezicht.
Het voorbeeld van Boston vond snel navolging. In 1879 ontstond de New York Bicycle Club, gevolgd door clubs in Philadelphia, Chicago en San Francisco. Deze verenigingen organiseerden gezamenlijke ritten, wedstrijden en publieke demonstraties om het nieuwe voertuig te promoten.
De sfeer was sportief, maar ook sociaal: de leden dineerden samen, hielden bijeenkomsten en parades, en droegen trots hun clubkleuren. Ze noemden elkaar wheelmen, mannen van het wiel, en gaven zichzelf de taak om het fietsen respectabel te maken in een land waar wegen nog vaak onverhard waren en het verkeer ongeregeld.

In 1880 besloten vertegenwoordigers van verschillende clubs zich te verenigen in een nationale organisatie: de League of American Wheelmen (LAW). De League zou al snel uitgroeien tot een invloedrijke bond met duizenden leden.
Haar doelstellingen waren even ambitieus als praktisch: het bevorderen van het fietsen als sport, het verbeteren van de wegen en het standaardiseren van regels voor wedstrijden en recreatie.
De LAW was ook de drijvende kracht achter de Good Roads Movement, een campagne die pleitte voor verharde wegen – aanvankelijk ten bate van fietsers, maar uiteindelijk ook van automobilisten.
Rond 1885 telde de Verenigde Staten tientallen véloclubs. Sommige, zoals de Chicago Bicycle Club, openden hun deuren voor bredere lagen van de bevolking en gaven de beweging een democratischer karakter. Anderen, zoals de clubs in Boston en New York, bleven meer elitaire gezelschappen.
Toch hadden ze allemaal één ding gemeen: een geloof in de fiets als symbool van vooruitgang en persoonlijke vrijheid. Stevens' bravoure paste naadloos in dat stramien.
※※※



Opmerkingen