Boekengekte in traditioneel China : De Tianyige bibliotheek
- Alex Van Egmond

- 6 jun 2025
- 8 minuten om te lezen

Boekliefhebbers zijn er al eeuwen geweest en privé-verzamelingen zijn overal op de wereld te ontdekken. De Chinezen waren er als eerste bij, dankzij de uitvinding van het papier en de blokdruk-techniek.
Al in de periode van de Strijdende Staten (475-221 BC) ontstaan de eerste privé-verzamelingen. Boeken gaven sociaal en moreel aanzien voor de verzamelaars en hun opgebouwde boekenbezit diende dan ook voor het nageslacht te worden bewaard.
Met het voorbeeld van de beroemdste privé-bibliotheek uit de Ming- en Qing-dynastie (1249-1644 en 1644-1911) zal blijken dat de Chinese bibliofiel veel gemeen had met westerse collega's, maar ook op een aantal punten verschilt.
Tekst: Alex van Egmond
De boekenziekte
Schrijver en dichter Gerrit Komrij (1944-2012), bij leven zelf een verwoed boekenverzamelaar, verzuchtte eens het volgende:
‘De bibliofiel is een verachtelijk wezen, hij is ernstig ziek. Ik weet het. Maar wat doe je eraan? […] Als ik een boek zie ben ik verloren. Van kieskeurigheid, van beschaving is geen sprake. Hoe hoger de stapel des te beter’.
De stapel is een vergeetstapel, want de bibliofiel verliest elke interesse in het verkregen boek en gaat weer op zoek naar een volgend boek. Chinese bibliofielen in heden en verleden hadden een vergelijkbare verzamelwoede.
Echter, van een echt boek zoals we dat nu kennen, ingebonden vellen papier met een kaft, was in het oude China nog geen sprake. Men schreef op allerlei natuurlijke materialen, zoals steen, boombast, dierenhuiden, bladeren en beenderen.
Dit had natuurlijk nadelen wat betreft verspreiding en archivering van teksten. In de periode van de Strijdende Staten kreeg kennisoverdracht meer belang, waardoor er gezocht werd naar een beter alternatief. Men kwam op het idee om zijde en bamboe-latjes te gebruiken.
Deze methodes hadden een aantal voordelen boven de overige natuurlijke materialen. De bamboe-latjes werden beschreven van boven naar beneden en konden onderling worden verbonden met een touwtje, waardoor ze opgerold en gemakkelijk vervoerd konden worden.

Bijkomend voordeel was dat men deze kon hergebruiken door met een mes de toplaag af te schrapen. Nog lichter en duurzamer waren boeken van zijde, maar dit materiaal was erg prijzig en dus bleken bamboe en zijde geen echte innovaties totdat papier zijn intrede deed.
Ambtenaar Cai Lun rapporteerde in 105 BC de uitvinding van papier aan de keizer, maar de vondst van papiersnippers in Dunhuang in het noordwesten van China wijst erop dat papier maken wellicht al bijna twee eeuwen bekend was.
Papier stimuleerde de ontwikkeling van de Chinese beschaving sneller dan voorheen.
Het ‘boek’ had echter nog steeds de vorm van een rol en werd ‘juan’ genoemd. Pas met de vervanging van de blokdruktechniek door monotype in de Song-dynastie (960-1279) (losse ‘letters’, die samengevoegd en hergebruikt konden worden) werd de rol definitief vervangen door losse pagina’s en kreeg het de vorm die we nu nog kennen.
Het is niet verwonderlijk dat juist in deze periode het aantal privé-verzamelaars explosief steeg. De monotype-techniek vergemakkelijkte de reproductie van teksten, waardoor er hoge oplages mogelijk waren.
Aanzien
Als eerste privé-verzamelaars kunnen de Chinese filosofen Confucius en Laozi worden aangemerkt. Zij leefden ten tijde van de Strijdende Staten en zoals eerder gezegd werd in deze periode meer belang gehecht aan kennisoverdracht. Naarmate de maatschappij zich ontwikkelde was er behoefte aan het vastleggen van kennis.
Het boek werd een medium om de vier categorieën (klassieken, historie, filosofie, compilaties) onder te brengen. Chinese ambtenaren in latere dynastieën, de zogenaamde ‘literati’, verzamelden boeken vanwege een aantal redenen.
Ten eerste had een literator de boeken nodig om zijn zoons voor te bereiden op het staatsexamen. Dit staatsexamen, dat werd ingevoerd tijdens de Han-dynastie (206 BC-220), gaf kandidaten de kans op een baan als overheidsambtenaar en dus de zekerheid van carrière.

Mits men kon slagen welteverstaan, want dat gelukte maar 1 tot 2% van alle kandidaten.
Voor het officiële examen diende men onder andere de vier boeken en vijf klassieken, die waren nagelaten door Confucius en zijn leerlingen, volledig te memoriseren.
Dit kwam neer op zo’n vierhonderduizend karakters die de kandidaten tijdens het examen moesten kunnen reciteren.
Ten tweede kon men door lezen en studeren sociaal en moreel aanzien krijgen. Een geletterd persoon onderscheidde zich van het ongeletterde volk, en alleen daarom werd hij geacht succesvol en intelligent te zijn.
In het oude China meende men ook dat het lezen van boeken óver moraal vanzelf zou leiden tot een betere orde en stabiliteit. De lezer wapent zich met een beter begrip van moraliteit en handelt daar dan ook naar, zo was de algemene strekking.
De broers Ma uit Yangzhou
Ten tijde van de Qing-dynastie in Yangzhou (Zhejiang provincie) bouwden de broers Ma Yueguan en Ma Yuelu een bibliotheek op. Zij waren niet afkomstig uit een elitefamilie, maar hadden toch een gedegen opleiding gehad in de Chinese klassieken..
Dit laat zien dat vooral in de Ming- en Qing-dynastie een nieuwe elite kon ontstaan die hun positie verkreeg door de welvaart en niet door hun afkomst.
Vanwege hun achternaam stonden ze in Yangzhou bekend als de ‘twee Ma’s’. Op het hoogtepunt bevatte hun bibliotheek ruim honderdduizend exemplaren.
Als laatste fungeerde het boek als sociaal kapitaal. Een boekenverzameling werd binnen een familie van vader op zoon overgedragen zodat de continuïteit was gewaarborgd. Moeilijk verkrijgbare boeken uit voorgaande dynastieën werden zorgvuldig gekoesterd door de eigenaars.
Dit betekende soms ook het verzwijgen van bijzondere exemplaren aan buitenstaanders. Vaak had een verzamelaarfamilie twee catalogi in huis: een gecensureerde lijst met onbeduidende boeken en een volledige lijst die angstvallig binnenkamers werd gehouden.
Hoezeer de bibliofiel op zijn hoede moest zijn, blijkt wel uit het verhaal van de Tianyige bibliotheek.
De bibliotheek
Vele Chinese privé-verzamelingen gingen ten onder in het geweld van oorlogen, revoluties en sociale veranderingen, maar de Tianyige bibliotheek behield het merendeel van haar collectie en originele gebouwen.

In de oostelijke Zhejiang-provincie, dichtbij Hangzhou, ligt de stad Ningbo waar de bibliotheek te bezichtigen is. Een bezoek is zeker de moeite waard, al is het maar om te genieten van de schitterende botanische tuinen rondom de gebouwen. Zodra je vanaf de straatkant de poort binnenstapt, waan je je in een groene oase van rust.
Dat de bibliotheek nog steeds bestaat, is te danken aan de inspanningen van de oprichter; de keizerlijke ambtenaar Fan Qin (1522-1566). Hij had de functie van minister van defensie tijdens de Ming-dynastie en aangezien hij voor zijn werk in verschillende regio’s kwam, kon hij een mooie verzameling bijeenbrengen.
Een verzameling die bij zijn dood vijfduizend titels en twintigduizend kopieën besloeg. Tussen 1561 en 1566 bouwde hij rond zijn verzamelde boekenbezit een gebouw dat over een aantal bijzondere eigenschappen beschikt om de boeken tegen rampen te beschermen.
Afgezien van oorlog is brand de grootste ramp voor boekverzamelaars. In het verleden zijn vele privé-verzamelingen aan de vlammen ten onder gegaan. Daarom nam Fan Qin een aantal maatregelen om zijn bezit te beschermen. Hij liet een grote vijver voor de bibliotheek aanleggen en verbond deze met een meer in de stad.
Ook werd het gebouw opgetrokken uit baksteen, wat voor die tijd een kostbare investering was. Ten slotte zorgde een brede brandgang met een hoge muur ervoor dat de bibliotheek van andere gebouwen gescheiden was om zodoende een overslaande brand te voorkomen.
Daarnaast houden boeken ook niet van vocht en grote atmosferische veranderingen. Fan Qin hield hier rekening mee bij het ontwerp van zijn bibliotheekgebouw. Zo konden grote ramen worden geopend op het noorden en zuiden en werden de boeken in kasten gezet die van voor en achter open waren, om de luchtcirculatie te optimaliseren.
Een speciaal kruid zorgde ervoor dat de motten wegbleven en onder de kasten lagen rotsen met vochtregulerende eigenschappen.
Maar de mens moet ook niet onderschat worden als vijand van een zorgvuldig verworven boekenbezit. Boekverzamelaars hebben een terechte afkeer van het uitlenen van hun boeken. Simpelweg omdat hun boeken vaak niet meer worden teruggebracht door de lener.

Een oud Chinees gezegde spreekt boekdelen: 'Een boek uitlenen is dom; terugbrengen is net zo erg!' Diverse Chinese boekverzamelaars brachten dan ook waarschuwingen aan in hun boeken, in de trant van: ‘Wie dit boek leent en niet terug brengt, zal geëxecuteerd worden door de goden’.
Xu Shidong uit Ningbo
Xu Shidong hield al van kinds af aan van lezen en woonde in dezelfde stad als Fan Qin. Hij las de duizend boeken die zijn familie in huis had, maar voelde zich nog niet verzadigd en dus begon hij met het verzamelen en lezen van meer boeken.
Op een gegeven moment bezat hij zestigduizend exemplaren die hij in twee bibliotheken in de stad bewaarde. De ene bibliotheek werd geplunderd tijdens de Taipingopstand (1850-1864) en de andere brandde tot de grond toe af in 1863.
Het jaar daarop herbouwde Xu een van de bibliotheken en kon na jaren intensief verzamelen toch weer een aardige collectie opbouwen.
Trouwens, ook de nakomelingen van de bibliothecaris moesten weten waar ze aan toe waren, mochten ze het in hun hoofd halen om de erfenis te laten verkommeren.
Verzamelaar Wang Chang (1725-1806) liet bijvoorbeeld de waarschuwing na dat als een ongetalenteerde erfgenaam zijn boeken durfde te verkopen of op welke manier dan ook verloor, hij geen mens maar een varken en een hond was. De ongelukkige erfgenaam zou dan moeten worden geslagen en verwijderd uit de familiestamboom.
Regels

Fan Qin gaf zijn erfgenamen eveneens regels mee die het voortbestaan van de bibliotheek bepaalden. De Fan-familie kreeg de taak om de bibliotheek te behouden en dus mochten alleen directe familieleden de bibliotheek betreden. Liet men wel een buitenstaander binnen dan werd dit bestraft met een eenjarige verbanning uit de vooroudervererings-ceremonie.
Een andere regel verbood roken en het drinken van alcohol in de bibliotheek. En weer een andere regel stelde dat alle zes de erfgenamen bij het vallen van de avond aanwezig moesten zijn als de bibliotheek werd afgesloten (’s nachts mocht niemand in de bibliotheek komen).
De drastische regels van Fan Qin hebben het voortbestaan van de vierhonderd jaar oude bibliotheek gegarandeerd. Desalniettemin kreeg ook de Tianyige bibliotheek het zwaar in het begin van de vorige eeuw.
De Jiangs uit Haining
Drie generaties lang verzamelen door de Jiang-familie in Haining (Zhejiang Provincie) leverde een collectie op van meer dan honderdduizend exemplaren.
Jiang Kaiji begon met verzamelen tijdens de Qing-dynastie, maar vooral zijn kleinzoon Jiang Guangyu stelde alles in het werk om de meest kostbare manuscripten en bijzondere uitgaven in handen te krijgen.
Na de stichting van de Volksrepubliek China werd de collectie ondergebracht in de openbare bibliotheken van Peking, Shanghai en Zhejiang. Het oude bibliotheekgebouw in Haining is tegenwoordig nog steeds te bezichtigen.
De komst van openbare bibliotheken in Zhejiang legde al extra druk op de nakomelingen van Fan Qin om de bibliotheek voor het publiek te openen. Uiteindelijk was het een zware tyfoon in 1933 die de familieleden liet zwichten voor de druk.
De Fan-familie moest zich wel wenden tot de lokale overheid, want er was geen geld om de aangetaste bibliotheek op te knappen.
Een speciale commissie werd opgericht voor het beheer van de bibliotheek.
Het boekenbezit bedroeg in die periode een schamele dertienduizend titels. Dit zou pas weer aangroeien na 1949 toen de bibliotheek werd geschonken aan de Volksrepubliek China.

Het is ironisch om te zien dat het verzamelen van boeken in de oudheid onder literati begon met kennisverspreiding, maar dat de latere privé-verzamelaars tot het uiterste gingen om hun boeken niet aan anderen te laten zien.
Daarmee kregen ze iets gemeen met hun westerse collega's. Tegenwoordig herbergt de Tianyige bibliotheek driehonderdduizend titels en is het een belangrijk onderzoekscentrum geworden van het oude boek.
Iedereen kan nu zijn handen leggen op de bijzondere boeken die Fan Qin eens zo koesterde en zo streng wilde bewaken. Echter, één regel leeft nog onverminderd voort: de toegangsdeur gaat ’s avonds op slot.
※※※



Opmerkingen